Veersteigers Nes en Balllumerbocht
Ameland kent van oudsher geen echte haven. De verbinding met de vaste wal werd vroeger onderhouden door beurtschepen.
De schippers onderhielden met verschillende plaatsen een verbinding. Zo worden in de 17e eeuw en 18e eeuw Nieuwe Bildtzijl, Zwarte Haan, Holwerd, Ferwerd en Groningen genoemd als bestemmingen.
Ten zuidwesten van Hollum bood een diepe slenk, het Schuitegat, beschutting als een soort natuurlijke haven. Maar door kustafslag verdween deze mogelijkheid. Even ten westen van Nes zijn de resten van een diepe slenk “Slink” nog aanwezig. Ook hier konden schepen beschutting en een ankerplaats vinden tot de aanleg van een stroomgeleidedam in de Ballumerbocht dit onmogelijk maakte. Bovendien was de slenk in de winterperiode niet geschikt omdat bij hoog water de Noordzee gevaarlijk naar binnen drong.
In de 19e eeuw is alleen “de Reede” nog geschikt om droog te vallen en zo bij eb de schepen te lossen en te laden. Ook eilandbezoekers worden op deze manier vervoerd. Bij de dorpen herinnert een Reeweg, lopende vanaf het dorp naar de dijk, nog aan deze periode.
In de tweede helft van de 19e eeuw gebeuren talloze scheepsongevallen vanwege het ontbreken van een veilige aanlegplaats.
Bij zware stormen worden verschillende beurtschepen weggeslagen en gaan verloren. Zo komt voor een flink aantal beurtschippers een einde aan hun bedrijf en dus aan hun inkomsten. Schepen van Piebe Jacobs van der Zee, E. Colmer, G. Toren, G. Bruin. S. Scheltema en E. de Vries worden weggeslagen door stormen en raken of zwaar beschadigd dan wel geheel verloren.
Aan het einde van de 19e eeuw worden bij Holwerd voorzieningen getroffen voor het afmeren van de postschepen en in 1889 wordt bij Nes een besteend aanleghoofd met houten steiger gemaakt. In het begin van de 20e eeuw is er sprake van een rijksveerdienst tussen Holwerd en Ameland.
In 1927 is het mogelijk om de veerboot in Holwerd met een autobus te bereiken maar de bussen kunnen elkaar niet passeren en er is amper ruimte om uit te stappen. In 1929 wordt de veerdam te Nes verbreed en kon men ook op Ameland met bus of auto de boot bereiken.
De beurtschippers maken veelal gebruik van de Ballumerbocht. Tussen Nes en Ballum is in de luwte van de geleidestroomdam een vaargeul ontstaan aan het eind waarvan bij de dijk een los- en laadsteiger wordt gebouwd.
Langzamerhand werd het personenvervoer overgenomen door de rijksveerdienst Holwerd – Nes, maar de beurtvaart zal het volhouden tot het einde van de zeventiger jaren van de 20e eeuw. Vooral veel vrachtvervoer, zoals b.v. steenkool, veevoer en kunstmest werd naar het eiland getransporteerd terwijl de producten van de eilander zuivelfabriek, kaas en boter, naar de vaste wal werden vervoerd. Maar ook veel stukgoederen maakten deel uit van de lading die vroeger werd gelost en geladen met paard en wagen. Wanneer een winkelier iets niet in voorraad had kon hij altijd nog zeggen dat het “bij de schippers zat”. Dat betekende dat het op weg was vanuit Amsterdam, Leeuwarden of Harlingen naar Ameland. Op 15 mei 1979 maakte schipper Hans Bruin zijn laatste tocht als beurtschipper.
In de winter van 1939-1940 raakten de eilanden door ijsgang geïsoleerd. De veerboten bleven tot eind februari 1940 aan de steiger. Het vervoer werd geregeld met KLM machines.
Wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbreekt zijn beide aanleginrichtingen vol in bedrijf. In de meidagen van 1940 kwam het normale leven weer een beetje op gang. Maar op 31 mei 1940 werd de veerboot “Ameland”, liggend aan de steiger te Nes, vrijwel geheel vernield door een Britse luchtaanval. Ook de steiger raakte ernstig beschadigd.

Bominslag op veerdam Nes

Overzicht schade

Overzicht vanaf het Wad

Restanten

Beschadigingen opgenomen door kapitein Jongsma

Brief aan de Staatsraad
Het zal tot oktober duren voordat een en ander gerepareerd is.
Het reizigersvervoer bestond na 28 augustus 1940 vrijwel uitsluitend uit militairen van het bezettingsleger, af en toe een paar ambtenaren en zo nu en dan enkele eilanders. Zonder een bewijs van toestemming (Ausweiss) kon men de eilanden niet bereiken of verlaten. Er werd door de bezetter nauwkeurig gecontroleerd.
Veel vrachtvervoer ging met de beurtschippers die vanuit de Ballumerbocht op Harlingen een wekelijkse dienst onderhielden. De Anne, Cor en Hans Bruin en Gooi Visser stonden altijd klaar om zaken te vervoeren waarmee de Duitsers afbreuk kon worden gedaan. Zo werden clandestien geslachte varkens, levensmiddelen buiten de distributievoorschriften om, gekraakte bonkaarten e.d. naar de overkant gebracht. De stukken varkensvlees zaten in melkbussen verpakt. Met zware kisten was een schuilplaats gemaakt aan boord van de “Broedertrouw” waarin men onderduikers die naar het eiland wilden kon vervoeren. Zelfs werden wapens naar het eiland vervoerd onder een lading bieten. Dat de mannen, met de intensieve controle door de Duitsers, hun eigen leven op het spel zetten werd niet of nauwelijks stil gestaan.
Zo moesten ook eens Duitse militairen naar het eiland worden vervoerd. Nog een flink eind van de aanlegsteiger van de Ballumerbocht voer men het schip vast in de modder. Er zat voor de mannen niets anders op dan het veel te vol geladen scheepje lopend te verlaten. Tot boven hun knieën door de modder wisten ze met moeite het eiland te bereiken. Ook brachten de beurtschippers een nacht door in een politiecel te Harlingen omdat vervoersbewijzen voor biggen ontbraken. Gelukkig wist men op Ameland een en ander te regelen en werden de mannen de volgende dag weer losgelaten. Een lading bonkaarten voor Leeuwarden, verstopt in een Havermoutdoos, petroleumbonnen en een horloge bleken naderhand te zijn verdwenen.
De Oorlogswinters waren streng en gedurende lange periodes kon vanwege ijsgang niet worden gevaren. Vanuit Leeuwarden werd door de bezetter een luchtverbinding georganiseerd.
Medio april werd Friesland bevrijd. Tijdens de bevrijding lagen de boten aan de steiger van Nes en in de Ballumerbocht. De situatie dat er niet gevaren mocht worden duurde bijna 2 maanden, want pas op 3 juni 1945 verlieten de bezetters Ameland.
In juni 1945 werd getracht met de nog beschikbare middelen de verbinding weer op gang te brengen. Het restant van de vloot en de aanleghoofden waren slecht onderhouden en lagen vol met herinneringen aan de bunkerbouw. De vaargeulen waren hier en daar dichtgeslibd maar in juli konden de eerste toeristen hun vakantiebestemming weer bezoeken. De wederopbouw zou nog een flinke tijd in beslag nemen. De aandacht van de overheid lag nu niet direct bij de veerverbindingen naar de eilanden. Pas na 1950 komt daarin langzamerhand verbetering.
Het reddingswezen
Net voor het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de roeireddingboot van Ameland vervangen door de Motorstrandreddingboot “Abraham Fock”. In 1937 mocht de bemanning de strandreddingboot, met aan het roer schipper Botte Neij, in gebruik nemen.
In oktober 1938 werden eerst de bemanning van twee tjalken, de “Johanna” en de “Hoop op Behoud” gered. Enkele dagen daarna haalde men 9 koppige bemanning van de gestrande IJmuider trawler “Sperwer”. Zo werden in enkele dagen 15 mensen behouden aan de wal gebracht. Bemanningsleden waren Botte Neij, Sietze de Jong, Douwe Borsch, Gijs Lap, Jan de Jong, Lolke Kanger en Gerbrand Bruin.
De reddingboot kreeg al snel een witte kleur en het symbool van het Rode Kruis, terwijl op de boot naast de Nederlandse vlag ook de Rode Kruisvlag wapperde. De reddingboot was voortdurend paraat in verband met de vele ongelukken met vliegtuigen boven de Noordzee. De kans dat een vliegtuig neerstortte in deze periode was groter dan dat een schip zou stranden.
Op 26 juli 1940 werd al de eerste dode van de Koffieboonplaat gehaald. Een Brits vliegtuig was neergestort en de vlieger bleek te zijn overleden toen de reddingboot het vliegtuigwrak bereikte.
Vanwege de paraatheid werden de vergoedingen aan de bemanningsleden en voerlieden verhoogd.
Veel tochten werden op bevel van de Duitse Wehrmacht uitgevoerd. Dikwijls moesten bemanningsleden van neergeschoten vliegtuigen worden opgespoord maar veelal kwam de reddingboot onverrichter zaken terug.
Op 14 november voer men uit omdat er op de Koffieboonplaats iets was gestrand. Het bleek een reddingsboei voor drenkelingen te zijn die door de storm was losgeslagen. De boei was voorzien van een Rode Kruisteken en bedoeld voor bemanningsleden van neergestorte of –geschoten vliegtuigen.
De boot werd niet meer in het boothuis gestald maar op het zuidwest bij Hollum paraat gehouden zodat men snel kon uitvaren.
In 1941 maakt een Britse bommenwerper een noodlanding op het strand. De bemanning loopt langs het strand naar het Zuidwest en vindt daar de reddingboot. Een poging de zware boot in het water te brengen mislukt en zo brengen de 9 bemanningsleden de nacht door onder het dekzeil van de boot. Groot is de verassing van de Duitsers wanneer zijn de volgende morgen de 9 mannen het dorp zien binnenlopen. De schipper, Botte Neij, wordt eerst verantwoordelijk gesteld omdat gedacht werd dat hij de Britse vliegers had geholpen. Want hoe konden de mannen langs het strand en de Flak Batterie met alle wachtposten zijn gelopen zonder dat iemand dit had opgemerkt? Botte Neij vreesde voor zijn leven maar uiteindelijk liep het met een sisser af.
Niet altijd werd de reddingboot ingezet. Op 20 april 1942 storten er drie vliegtuigen neer nabij het Amelander Gat maar de Duitsers doen alsof er niets is gebeurd. “Ze kijken zeker niet meer op een menschenleven” schrijft Botte Neij in zijn verslag.
In 1942 is de bemanning van de reddingboot als volgt samengesteld: Schipper: Botte Neij, bemanning: Anne Bruin, Jan de Jong, Sietse de Jong, Lolke Kanger, Gijs Lap, Teun Matroos en Eeuwe de Vries. Reservebemanningsleden zijn: Cor Bruin, Klaas Bruin en Jacob de Jong.
Wanneer Jan de Jong en Gerrit Visser naar de keuring van de “Arbeiseinsatz” zijn geweest verklaart Botte Neij dat beide mannen onmisbaar zijn bij de reddingboot. Het lukt hem om beiden op Ameland te houden.
Wanneer in augustus en september van de voerlieden Piet Barf en Tjeerd Visser een paard dood gaat wordt aan de Redding Maatschappij met spoed nieuwe paarden gevraagd. Op 24 oktober hadden beiden een nieuw paard!
Dikwijls worden er op bevel van de bezetter tochten uitgevoerd maar meestal keert men onverrichterzake terug. Op 22 december 1943 worden dicht onder de kust twee rubberbootjes gesignaleerd. Voordat de reddingboot hulp kan bieden bereiken de 7 Amerikanen, van wie er 2 gewond zijn, het Amelander strand.
Op zondag 28 mei 1944 gaat er een triest bericht door het dorp Hollum. Bemanningslid Gijs Lap is verdronken. Hij was zaterdagmiddag rond een uur of vier gaan vissen op het wad maar niet teruggekeerd. Wanneer de reddingboot het Wad afzoekt vindt men Gijs Lap in de Ballumer Bocht.
Op 21 november 1944 valt een Brits vliegtuig 2 Duitse torpedoboten aan. Wanneer de reddingboot te water gaat denkt men dat men op zoek moet naar de bemanningsleden van het vliegtuig. Er moet echter dringend hulp worden verleend aan de bemanningsleden van de torpedoboten. Er zijn 12 zwaargewonden en 2 of 3 doden. Het gevecht had plaats in het “Dazingergat” dwars van de Ballumer Bocht. Botte Neij meldt dat hij een stuk van het vliegtuig boven het water zag uitsteken maar dat van de bemanningsleden niets was te zien.
In het boekje “Erfenis van de Storm” wordt gesproken over de aanval van een 2-motorig kustwachtvliegtuig type Bristol Beaufighter, met de code JM 399 van het 254 e Sqaudron.
Het vliegtuig met de bemanningsleden John Dalley en George Jeffrey Burns wordt neergeschoten tijdens een aanval op twee Duitse mijnenvegers van de M-klasse. Volgens dit boekje is het vliegtuig neergestort in het Brandgat, ca 2 kilometer uit de kust.
De stoffelijke resten van beide bemanningsleden worden later geborgen en op 27 november 1944 begraven op de Algemene Begraafplaats in Nes.
Op 29 december 1944 schrijft Botte Neij aan het bestuur van de Reddingsmaatschappij in Amsterdam het volgende: “Ik hoorde dat Bakker de Jong kort geleden een best varken had geslacht en dat die mijnheer erg gul was. En ja, die wou wel wat afstaan aan de menschen van de ReddingMij., als hij zeker wist dat het goed overkwam. U krijgt van hem een stukje spek wat vet en hij had ook nog wat roggemeel. Ik pak alles in mijn zeemanskist. Die is waterdicht.”
Secretaris De Booy bevestigd in januari de aankomst van de kist. Waarschijnlijk meegenomen door de beurtschippers naar Amsterdam. Ze zullen vast en zeker meer pakketjes hebben meegenomen naar Amsterdam.
Wanneer op 15 april Friesland wordt bevrijd moeten Botte Neij en zijn mannen herhaaldelijk de meeste vreemde tochten ondernemen op last van de bezetter. Wanneer Botte Neij protesteert zegt een Duitse Officier dat ook de Engelsen misbruik maken van het Rode Kruis.
Waarschijnlijk hebben de Duitsers samen met de bezetting op Terschelling geprobeerd bepaalde goederen in veiligheid te brengen. Ook de Barkas, een kleine motorboot was hierbij betrokken. Op 7 mei heeft de bemanning er genoeg van en steekt over naar het bevrijde Holwerd. Op 13 mei keert de boot terug naar Ameland en ondervindt men geen last meer van de Duitsers. Op 3 juni 1945 wordt het eiland definitief bevrijd.
Amelander zeelieden
Douwe C. de Boer

Monsterboekje van Douwe C. de Boer met een overzicht van periodes dat hij was aangemonsterd op de “Brigida” in 1943.

Bewijs van inenting tegen koepokken van Douwe C. de Boer afgegeven op Curacao.
Frans Molenaar

Frans Molenaar, geboren op 25-11-1900 te Nes en getrouwd met Maria Kooiker heeft vrijwel de gehele oorlog op schepen van de Koninklijke Marine gevaren. Hij kreeg een opleiding tot radarmonteur. In september 1945 keerde hij met het ms “Christiaan Huygens” terug naar Nederland. Het schip dat 261.000 mijl had afgelegd tijdens 39 reizen liep bij Westkapelle op een mijn, brak en was niet meer te bergen. De passagiers en dus ook Frans Molenaar werden door het ms “Tiba” aan boord genomen en naar Rotterdam gebracht. (foto 23 oktober 1941)
Klaas S. de Vries

Matroos K.S. de Vries, geboren op 10-11-1917 te Hollum. Diende als matroos 1e klas op Hr.Ms. Tromp. Tijdens de mobilisatie was hij gelegerd op Ameland. Het leven aan de wal beviel hem niet en dus trok hij weer naar zee. Toen de oorlog uitbrak voer hij bij de koopvaardij. In 1942 werd hij in Australie weer opgeroepen bij de Koninklijke Marine. (foto 23 november 1943)
Matroos K.S. de Vries, geboren op 10-11-1917 te Hollum was aanvankelijk gemobiliseerd op Ameland. Schriftelijke toestem- ming van de
moeder van Klaas S. de Vries, gegeven in januari 1936 aan haar 18-jarige zoon Klaas S. de Vries om te mogen varen bij de koopvaardij. Dit i.v.m. de afwezigheid van de vader die ook zeeman is. Tijdens de mobilisatie was hij gelegerd op Ameland. Het leven aan de wal beviel hem niet en dus trok hij weer naar zee. Toen de oorlog uitbrak voer hij bij de koopvaardij. Tijdens de oorlog voer hij eerst bij de koopvaardij in konvooien. In 1942 werd hij in Australie alsnog opgeroepen om dienst te nemen bij de Koninklijke Marine. Hij kwam terecht op Hr. Ms. Tromp en diende als matroos 1e klas. De kruiser keerde pas op 3 mei 1946 in Nederland terug.
Schriftelijke toestemming van de moeder van Klaas S. de Vries, gegeven in januari 1936 aan haar 18-jarige zoon Klaas S. de Vries om te mogen varen bij de koopvaardij. Dit i.v.m. de afwezigheid van de vader die ook zeeman is. (foto 2 januari 1936)
Jan Wagenaar
Jan Wagenaar, geboren op 29 maart 1910 te Amsterdam heeft de gehele oorlog gevaren bij de koopvaardij. Deze ID Kaart is afgegeven op 21 juni 1945 toen hij roerganger was op het ss Frans Hals. Het schip is op de Middelandse zee op 3 november 1942 aangevallen door een Italiaans duikboot. Alle 5 afgevuurde torpedo’s misten gelukkig het doel. Ook in het Kanaal is zijn schip getorpedeerd. Ook heeft hij in konvooi gevaren op Moermansk. Jan overleefde de oorlog en keerde na 6 jaar van huis te zijn geweest weer terug naar huis.
(foto 21 juni 1945)

Wijnand Visser

Wijnand Visser, geboren op 21-11-1884.
Hij voer in mei 1940 als bootsman op het passagiersschip SS Costa Rica van de KNSM.
Het zou de laatste reis zijn van Wijnand Visser. Maar toen brak de oorlog uit en het schip werd als troepentransportschip in gebruik genomen.
Op weg naar Kreta is het schip op 27 april 1941 door Duitse vliegtuigen gebombardeerd en gezonken.
De gehele bemanning is gered. Het is een lange laatste reis geworden. (foto 20 mei 1925)